GESCHIEDENIS HOOGE EN LAGE ZWALUWE




Verklaring van de naam Zwaluwe;

De naam van Zwaluwe komt voor het eerst in de geschiedenis voor in het jaar 1290. In een oorkonde van Floris V, de graaf van Holland, de toenmalige bezitter van het dorp, is er sprake van “die Swaluw”. Deze naam is waarschijnlijk ontleend aan een riviertje dat tot het ontstaan van de Biesbosch in 1421 in die omgeving stroomde.


Volgens het Oorkondenboek van Holland en Zeeland, uitgegeven vanwege de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Eerste Afdeeling, tot het einde van het Hollandsche Huis, wordt er op 17 September 1290 gesproken over het riviertje Swaluwe / Zwalewen.

Bewerkt doorMh. L.Ph.C. van den Bergh.

Willem, heer van Strijen, geeft zijnen neef Willem Hugemansz de heerlijkheid van Zevenbergen erflijk te leen en stelt de landpalen 17 September 1290.

Allen denghenen, die dese letteren sullen sien ofte horen lesen, maken cont ende kenlik wi Willem, ridder heer van Striene, dat alle dat land, mour ende gors, dat leghet tusschén Ockerlake ende Lindonck an beiden ziden, ende tusschen die Marcke ende die Swaluwe an beiden, einden also als de Ockerlake utter Marcken westwaert loopt, ende wiist den rechten ree ende drie-boom op die Spange, diehaer alre naest is; ende also alse die Spanghe utter Zwalewen weder teghens de Ockerlake comt ghelopen den rechten ree ende drie-boom; ende van deserghenoemder Spanghen zuitwaert loopende, langhs der Zwalewen cant tot an sheren goet van Breda, dat dit voorscreven landt, mour ende gors, Willem Hugemanssone onse neve ofte siine oudste oir, die na hem comen mach, kindts kindt te latene, ende immer den oudsten oir moghen vercopen ende wettelicken waren so wien die si willen, ende haren wille mede doen, alse met haren vrien leengoede.

Ende want ons Willem, ridder, here van Striene voorscreven, te piinlike ende te moeilik eis elke mense son derlinghen sinen brief te bezeghelen, so hebben wi hem allen, siin si ut Vlaenderen, of uyt wat anderen lande dat si ziin, die land mour of gors ghecocht hebben, of, copen sullen jeghens Willem Hugemanse onsen neve, ofte ook siin oir voorscreven, binnen desen voorghenoemden palen, desenjeghenwoordighen ghemeenen brief in kennissen ende wetenissen bezeghelt met onsen zegele.

Ende wi Willem ridder, here van Striene voorscreven beloven voor ons ende voor onsen oir, die na ons comen mach, allen den ghenen, die teghens Willem Hugemanse of sinen oir voorscreven land, mour of gors, binnen desen voorghenoemden palen ghecocht hebben, of kopen sullen, te houdene ende te doen houden, te vrien, te wetten, ende te waren teghens allen mensen over here van desen goeden voorscreven.

Ende om alledese dingh te bliven vaste ende ghestade, so hebben wi Willem, ridder, here van Striene voorscreven, desen brief bezeghelt met onsen zeghele uithanghende.

Dit was ghedaen als men screef int jaer ons Heren MCCXC. op St Lambertusdagh


“Willem Snickerieme”

De graven van Holland waren dan wel de bezitters van het gebied, doch het dagelijks bestuur lieten zij tot het jaar 1503 over aan de ambachtsheren Van Duvenvoorde, waarschijnlijk waren zij de eerste Heren van de heerlijkheid Zwaluwe.
Een van de bekendsten was Willem van Duvevoorde, ook wel Van Duivenvoorde; zijn bijnaam was Willem Snickerieme, in hedendaags Nederlands: Willem de Roeispaan. De heemkundevereniging van de Zwaluwse kerkdorpen Hooge Zwaluwe en Lage Zwaluwe is naar hem genoemd.

Willem verwierf Zwaluwe door koop in eigendom en daarbuiten nog veel andere landgoederen in onder meer West-Brabant. Hij was vooral bekend onder de titel Heer van Oosterhout. In 1328 werd Willem tot ridder geslagen; zijn wettiging volgde in 1329 door Keizer Lodewijk van Beieren. Toen hij in 1353 schatrijk stierf liet hij het belangrijkste gedeelte van zijn bezittingen na aan zijn neef Jan II van Polanen. Diens kleindochter, Johanna van Polanen, vrouwe van de Leck, had dit bezit via haar vader, Jan III van Polanen geërfd. Deze Johanna trouwde in 1403 met Engelbert I van Nassau, de bet-overgrootvader van Willem van Oranje de Zwijger.

In 1503 werd het gebied overgedragen aan Jan van Daelhem, de heer van Dongen. Door het ongeluk “manslag” te begaan, d.w.z. een moord te plegen op de onderschout van Lier, werd hij bestraft met de verbeurdverklaring van al zijn goederen, dus ook Lage Zwaluwe. Op 25 februari 1513 kwam Lage Zwaluwe in bezit van Hendrik, graaf van Nassau. Die had inmiddels ook Hooge Zwaluwe al in zijn bezit gekregen, zodat de dorpen opnieuw herenigd waren.
Sinds 1513 is elke vorst uit het huis Oranje Nassau Heer of Vrouwe van Hooge en Lage Zwaluwe.

Heerlijkheid Zwaluwe

Zwaluwe was een hoge heerlijkheid, dat betekende dat de Heer, die bestuurder was van Zwaluwe, zijn eigen wetten mocht maken en zelf mocht beslissen over de straffen, die uitgedeeld werden; zelfs de doodstraf mocht uitgesproken worden. Buiten het dorp Hooge Zwaluwe heeft tot in de vorige eeuw nog een galg gestaan. De heer had nog meer rechten, zoals jachtrecht en visrecht. De Heer van een hoge heerlijkheid had dus alle macht over de inwoners van de plaats. In 1795 komt er een einde aan de heerlijkheden en wordt Zwaluwe een gemeente.

De Brabantse Biesbosch

De Biesbosch bestond tot 1421 uit een groot ingedijkt graslandgebied, de “Groote of Zuid-Hollandse Waard” genaamd. Toen op 18 november 1421 tijdens een zware noordwestelijke storm het zeewater hoog werd opgejaagd, braken op verschillende plaatsen de dijken en de zee nam bezit van ± 42.000 ha vruchtbaar land. Omdat deze watersnood gebeurde op de verjaardag van de Heilige Sint Elisabeth noemde men dit de St. Elisabethsvloed. In de ondiepe binnenzee die nu gevormd was, stroomden de Rijn en de Maas uit. Deze rivieren voerden veel slik en zand mee en al spoedig ontstonden op vele plaatsen zandbanken en modderplaten die bij laag water droog kwamen te liggen. Spoedig raakten de hoogste plaatsen begroeid met biezen, gevolgd door riet en toen de platen zo hoog waren dat ze nog maar enkele uren per dag onder water stonden, begonnen er ook wilgen te groeien. Aan de vele biezen in het gebied heeft de Biesbosch zijn naam te danken.

Langs de randen van de Biesbosch begon de mens weer stukjes gebied in te polderen, terwijl het riet en de biezen gesneden werden. Op de hoge buitendijkse gebieden werden grienden aangeplant, want wilgenhout werd voor vele doeleinden gebruikt. De wilgen groeiden uitstekend op de vruchtbare slib. En elke dag weer werd met hoog water nieuw slib aangevoerd en tussen de begroeiing afgezet. De vele grienden verschaften aan honderden mensen werk. De belangrijkste producten waren hoepels voor de vaten, stelen voor vele soorten gereedschap en bossen rijshout voor dijkbescherming.



In 1953 echter werd Nederland getroffen door een enorme watersnood waarbij meer dan 1800 mensen verdronken en enorme schade werd aangericht. Om een herhaling hiervan te voorkomen werd het Deltaplan ontworpen. Dit voorzag in de afsluiting van verschillende zeegaten, waaronder het Volkerak en het Haringvliet, de twee zeegaten die voor het getij in de Biesbosch zorgen. Op 1 november 1970 werd als laatste het Haringvliet gesloten en werd het tijverschil van 2 meter teruggebracht tot 20 cm.. Alleen via de Nieuwe Waterweg, Dordtsche Kil en Merwede heeft de Biesbosch nu nog een open verbinding met de zee. Door deze afsluiting verdween na bijna 5,5 eeuw het unieke karakter van deze zoetwatergetijdendelta.

Na 1850 begon men ook in het hart van de Biesbosch gebieden in te polderen. Dit waren grienden die door opslibbing zo hoog waren geworden, dat men er een dijk omheen legde en er een klein poldertje van maakte. Deze polders liggen als eilandjes in de Biesbosch en zijn alleen per boot bereikbaar. Voor de bewoners van Hooge en Lage Zwaluwe zijn de grienden een zeer belangrijke bron van inkomsten geweest; velen werkten ’s zomers bij de boeren en gingen ’s winters de grienden in om in de hout- biezen- en rietcultuur een mager loontje te verdienen. In de industriestraat te Lage Zwaluwe was een groot aantal hoepelmakerijen gevestigd. De meeste hiervan hebben hun karakteristieke vorm behouden.

Zo ontstond het gebied zoals het er tot 1970 heeft uitgezien, een gebied doorsneden met vele kreken en begroeid met wilgen, riet en biezen met een tijverschil van 2 meter met als bijzonderheid dat het water rivierwater was en dus volkomen zoet. Vooral dit laatste maakte de Biesbosch uniek in de wereld. Zoetwatergetijdengebieden zijn erg zeldzaam.

Bron: Wim van Wezel

Willem van Duvenvoorde's dochter Beatrijs, gehuwd met Roelof van Dalem, werd in 1346 door Margaretha van Beieren beleend met het ambacht van de Zwaluwe in ruil voor 250 pond zwarte tournooizen jaarlijks uit den tol te Ammers, die Willem van Duvenvoorde had gekocht van Dirc van Matenesse. Wel stond Beatrijs in 1376 de heerlijkheid voor 55 pond jaarlijks af aan Jan van Polanen ten behoeve van diens derde vrouw Margaretha van Lippe, maar in 1404 gaf Margaretha's zoon Otto van de Lek het terug aan Willem, kleinzoon van Beatrijs.


De heerlijkheden Hooge en Lage Zwaluwe in het graafschap Holland waren door de eeuwen heen niet altijd in handen van één en dezelfde heer geweest. In 1376 werd het ambacht Hooge Zwaluwe door Beatrijs van Duvenvoorde afgestaan aan Jan van Polanen ten behoeve van diens echtgenote Margaretha van Lippe, vrouwe van de Leck en Breda. Lage Zwaluwe bleef bij Beatrijs en haar oudste zoon Willem van Dalem, heer van Dongen. Deze Willem van Dalem werd in 1404 door Jan van Polanen beleend met Hooge Zwaluwe, zodat de beide Zwaluwen weer onder één heer kwamen. In 1513 werden de goederen van Jan van Dalem, heer van de beide Zwaluwen, verbeurd verklaard ten gunste van Hendrik, graaf van Nassau. Nadat in 1517 gratie werd verleend aan de weduwe van Jan van Dalem, werden de geconfisqueerde goederen door Karel V teruggegeven. Echter de Rekenkamer van Holland weigerde registratie en een slepend proces tussen de Nassaus en de Van Dalems, die beide aanspraak maakten, volgde.

Bron: Nassause Domeinraad.